Alleen subsidie voor publiekstrekkers; de consequenties van Zijlstra's beleid voor musea
08 december 2010
Als het aan staatssecretaris Halbe Zijlstra ligt, krijgen vanaf 2014 uitsluitend culturele publiekstrekkers nog overheidssubsidie. Zijn stelling is dat culturele instellingen te sterk afhankelijk zijn van de overheid. Dat moet veranderen. De particuliere sector (bedrijven en particulieren) moeten meer meebetalen. De meerderheid van de Tweede Kamer is het daarmee eens. MuseumService zet de consequenties voor musea op een rij en kijkt halsreikend uit naar de aangekondigde Geefwet.
Samenvatting ‘uitgangspunten cultuurbeleid’
Samenvatting van de brief: de cultuursector is sinds de jaren ’60 financieel te veel afhankelijk geworden van de overheid. Het particuliere initiatief (lees: cofinanciering door bedrijven en mecenaat) wordt te weinig gestimuleerd. De overheid wil haar rol meer gaan beperken. Zij neemt haar verantwoordelijkheid voor een culturele basisinfrastructuur, educatie, erfgoed, onderzoek en talent.
Uitgangspunten bij rijksondersteuning
- in alle regio’s blijft hoogwaardig kwalitatief aanbod bestaan;
- kwaliteit houdt in: inhoudelijke kwaliteit, publieksbereik, ondernemerschap en educatie;
- culturele instelling is van (inter)nationaal belang.
Criteria voor ondersteuning (hierna genoemd: Zijlstra-criteria)
1. publiek: instelling trekt voldoende bezoekers;
2. ondernemerschap: eigen inkomsten staan in verhouding tot subsidie (kabinet komt met Geefwet om donaties financieel aantrekkelijk te maken);
3. participatie en educatie: toegankelijkheid voor kinderen en jongeren (met nadruk op culturele ontwikkeling van leerlingen op basis- en middelbare scholen);
4. instelling beheert een rijkscollectie of biedt internationaal aanbod;
5. focus op hoogwaardige geografische kernpunten in het land, waar cultuur en bedrijvigheid samenkomen (ofwel: PPP, Public Private Partnership).
Daarnaast
- stimuleren van onderzoek en talentontwikkeling, met aandacht voor nieuwe technologieën
- aandacht voor erfgoed; wettelijke taak om erfgoed te behouden blijft bestaan (issues: hergebruik van monumenten stimuleren, evaluatie wetgeving archeologie, toegankelijkheid archieven bevorderen, aandacht voor immaterieel erfgoed en volkscultuur)
Nieuwe basisinfrastructuur door wetsverandering
Er komt een nieuwe basisinfrastructuur met herverdeling van taken tussen steden, provincies en rijk. De huidige basisinfrastructuur biedt subsidies aan honderd tachtig instellingen die langdurige (- waaronder dertig rijksmusea en tien sectorinstituten-) of vierjarige subsidies ontvangen. Bovendien zijn er zeven cultuurfondsen (zoals de Mondriaan Stichting) die subsidies verstrekken.
De nieuwe basisinfrastructuur wordt kleiner (lees: minder langdurige financiële steun), fondsen worden samengevoegd (zoals de Mondriaan Stichting en het Fonds voor de Beeldende Kunst en Vormgeving) en krijgen minder geld. Dat zal er vooral in de Randstad diep inhakken. Bij de beoordeling van subsidies gaan de vijf Zijlstra-criteria zwaar wegen. Het verschil tussen langdurige en vierjarige subsidies komt bovendien te vervallen. Over de nieuwe inrichting van de basisinfrastructuur wordt de Raad voor Cultuur om advies gevraagd.
Om het nieuwe plan te kunnen uitvoeren moet de Wet op het specifiek cultuurbeleid worden aangepast. En dat kost tijd. De nieuwe wet kan pas op 1-1-2014 gereed zijn. Dat betekent dat instellingen geen verplichtingen mogen aangaan na 2014.
Financiële consequenties - generieke korting
Voor 2011 is al een bezuiniging van € 30 miljoen ingeboekt. In 2012 worden de Cultuurkaart (middelbaar onderwijs), de matchings- en innovatieregeling afgeschaft. Het Nationaal Historisch Museum krijgt geen nieuwbouw. Er komt een efficiencykorting van 2,2 % op alle posten en sectoren in de cultuurbegroting. In 2013 volgt een generieke korting van 5% (ook voor de erfgoedsector).
Vanaf 2014 geen generieke kortingen meer. De bezuiniging van € 200 miljoen wordt gehaald uit het verlenen van minder subsidies.
Zwaar weer ook voor de Regionale Historische Centra (RHC’s, met daarin opgenomen de Provinciale archieven): de decentralisatie naar de provincies gaat gepaard met een korting van 25%.
Consequenties voor het museale veld
Welke consequenties gaat een dergelijk beleid betekenen voor de Nederlandse musea?
1. Consequenties voor de rijksgesubsidieerde musea
Het Rijk heeft dertig rijksgesubsidieerde musea. Om subsidie te behouden moet aan de Zijlstra-criteria worden voldaan; voldoende publiek is lastig voor specialistische musea (bijvoorbeeld Museum Meermanno-Huis van het Boek en Museum Boerhaave) of een relatief klein Rijksmuseum Twenthe. De matchingsregeling wordt gekort, terwijl die juist bedoeld was als stimulans om de eigen inkomsten te vergroten – wie snapt dit nog? -; dat levert jaarlijks een grote verliespost op. Het wachten is op het eerste voormalige rijksmuseum dat failliet gaat…
2. Consequenties voor de provinciale en gemeentelijke musea.
Het wordt lastiger projectsubsidies te ontvangen, zoals nu via de Mondriaan Stichting. Dat betekent een verarming van het tentoonstellingsaanbod. Omdat de provincies en gemeentes minder geld van het rijk krijgen, zullen overal subsidies aan musea gekort of beëindigd worden. MuseumService voorziet dat vele kleine musea de komende jaren hun poorten voor het publiek moeten sluiten.
Algemeen: het afschaffen van de Cultuurkaart betekent bovendien dat minder scholieren de musea bezoeken en het korten van de Innovatieregeling (SenterNovem/Agentschap.NL) hakt erin bij alle grote en middelgrote musea die bijvoorbeeld digitale collecties en beeldbanken aanleggen of nieuwe, interactieve websites voorbereiden.
En dan nog dit: het is een wijdverbreid misverstand dat particulieren in Nederland belangeloze, gulle gevers zijn. Echte mecenassen (zoals Joop van den Ende), die het eervol vinden om grote sommen geld of kostbare kunstwerken te schenken, zijn in de cultuurwereld zeldzaam. In Nederland geldt vooral het credo: ‘Voor wat, hoort wat’. De meeste particulieren, en vooral bedrijven, willen waar voor hun geld in de vorm van aantrekkelijke tegenprestaties (en dan heb ik het niet over de kleine fondsen op naam die bij het Prins Bernhard Cultuurfonds zijn ondergebracht). Het financiële klimaat is hier bovendien minder gunstig dan in de VS, waar het geven van donaties veel belastingvoordeel biedt. Naar de door Zijlstra aangekondigde Geefwet kijken we dan ook halsreikend uit.
Zijlstra realiseert zich echter niet dat het jaren duurt om met particulieren relaties op te bouwen en te onderhouden. Dat past niet in zijn korte termijndenken: het streven om op korte termijn te scoren met financiële besparingen op kunst en cultuur. 'Bezint eer ge begint' is een ander Hollands gezegde. Het afbreken van cultuur gaat sneller dan het weer opbouwen.
Marie Christine van der Sman, coördinator MuseumService
Stuur uw reactie naar: info@museumservice.nl
