Afzakkertjes (11)
01 september 2010
Observaties vanaf de zijlijn door drs. K. Bouter
Platgetreden paden
Met veel publicitaire bombarie is de ‘opening’ van het Stedelijk Museum in Amsterdam aangekondigd. Zeven jaar is er niets gebeurd in het belangrijkste museum voor moderne kunst in Nederland en één van de meest toonaangevende in Europa en de wereld. Van dat laatste is helaas niets meer over, maar dat krijg je als je een museum van deze allure zo lang dicht gooit en niet productief laat zijn. De ‘heropening’ is in feite helemaal geen opening, want de verbouwing is nog niet klaar. Maar daar zijn we inmiddels wel aan gewend. Wacht maar tot de aannemer failliet is en de verbouwing gestaakt moet worden. Kan nog jaren duren.
Wat niet went, althans niet bij mij, is het geleuter van de directeur. Deze door de raad van toezicht in een moment van grote helderheid uit Amerika overgevlogen dame stelde onlangs in een landelijk dagblad dat zij het tot haar taak rekent om te doen “wat historisch noodzakelijk is”. Een zeer opmerkelijke uitspraak, want het geeft aan dat we te maken hebben met iemand die geen flauw benul heeft van wat ‘historisch’ is. Hoe wil je in vredesnaam iets doen ‘wat historisch noodzakelijk’ is? Wie stelt de criteria op aan de hand waarvan zoiets beoordeeld wordt? Wat is in dat kader bijvoorbeeld historisch niet noodzakelijk? En wat bedoelt deze directeur eigenlijk met ‘noodzakelijk’? Voor wie noodzakelijk? En waarom?
Dat hier sprake is van tegenstrijdigheden blijkt ook uit het feit dat – opnieuw – de niet te vermijden conceptuele kunst de boventoon voert. De directeur geeft aan dat zij het belangrijk vindt om risico’s te nemen. Een fervent liefhebber van conceptuele kunst als Hans den Hartog Jager stelde vast dat alle godfathers zoals hij het noemt aanwezig zijn, en dat er een directe lijn loopt, terug naar een beroemde tentoonstelling van Wim Beeren uit 1969. Hoezo risico’s nemen? Nu snap ik wat de directeur bedoelt met “historisch noodzakelijk”: dat komt neer op zoveel mogelijk oude koeien uit de sloot halen en platgetreden paden aflopen. Helemaal onthullend is de argumentatie die de directeur geeft voor haar keuze: sobere en kale kunst geeft de bezoeker de mogelijkheid om het gebouw goed te bekijken. Stom van mij, ik maar denken dat het om de kunst gaat.
Revolutie a.u.b.
In 1848 schreef Karl Marx, samen met zijn kompaan Friedrich Engels, het Communistisch Manifest. Het is vooral de laatste regel van dat revolutionaire pamflet dat mij altijd is bijgebleven: arbeiders aller landen verenigt u, want gij hebt niets meer te verliezen dan uw ketenen. We kunnen dat anno 2010 in die zin aanpassen door arbeiders te vervangen door kunstenaars.
Het wordt tijd dat kunstenaars het heft in eigen hand nemen en zich niet langer afhankelijk maken van galeriehouders die veel te veel hanggeld vragen, van museumdirecteuren die omkoopbaar zijn, van ambtenaren die leuzen hanteren als “wie betaalt bepaalt”, van raden voor cultuur die criteria hanteren die volstrekt willekeurig zijn, van fondsen die geregeld hun toekenningbeleid wijzigen, en ga zo maar door.
Kunstenaars moeten zich verenigen in collectieven, zelf de verkoop en publiciteit in handen nemen, hun eigen exposities inrichten in een collectief te exploiteren gebouw, ongebruikelijke methoden hanteren om de aandacht te vestigen op andere vormen van kunst dan de gevestigde en erkende. Kunstenaars moeten meer direct contact zoeken met het publiek en daarbij niet meer terugvallen op de galerie of het museum als intermediair. Het midden en klein bedrijf is ook geïnteresseerd in kunst: je kunt ook in een winkel hangen of staan. Ik pleit voor een meer sociaal relevante kunst, kunst die midden in de samenleving staat, daarmee communiceert. Geen ivoren toren, geen elitair gedoe, uit het isolement.
En waarom? Omdat het uiteindelijk zal leiden tot de vrijheid die kunst nodig heeft. En tot de bevrijding van de kunstenaar uit de keten van galeries, musea, subsidies en misplaatste kritiek uit liberale en ultrarechtse hoek. Want vooral dat laatste geluid zal de komende tijd gaan klinken.
Drs. K. Bouter is gepensioneerd kunsthistoricus en nog steeds overtuigd aanhanger van het radencommunisme van Anton Pannekoek (1873-1960).
