De tentoonstelling Inca's, Capac Hucha in hernieuwd Wereldmuseum
19 augustus 2010
Een klein jaar geleden is het Wereldmuseum in Rotterdam heropend. Deze zomer is, naast de vaste opstelling, een tentoonstelling over de Inca's te bewonderen.
“Aangrijpende archeologische vondsten op de ijzige toppen van het Andesgebergte vormen het vertrekpunt van de tentoonstelling Inca’s, Capac Hucha. Bevroren kinderlichamen, vergezeld van schitterende voorwerpen, vertellen het verhaal over de intrigerende kosmovisie van de Inca’s.” Deze zin uit de begeleidende folder maakt nieuwsgierig. Het is vrijwel onmogelijk Rotterdam te bezoeken zonder de expositie te bezichtigen. Als een magneet trekt het onderwerp ons naar de Maas, waar aan de Willemskade het fraaie klassicistische pand staat van de voormalige Koninklijke Yachtclub van Prins Hendrik. Sinds 1883 is hier het etnografische museum van Rotterdam gevestigd, met z’n prachtige collecties uit Oceanië, Azië, Afrika en Latijns Amerika.
De entree van het museum bereidt ons een hartelijk welkom met z’n rode loper en de vriendelijke medewerkers in de hal en bij de balie. De cappuccino in het stille museumcafé annex wijnbar is een goed begin voor het museumbezoek.
Via het nieuwe centrale trappenhuis, dat om een kolossale bisjpaal uit Nieuw-Guinea slingert, lopen we naar boven. Er is op dat moment een flinke tocht, die vanuit de open deuren van het museum door het trappenhuis giert. ‘Is dat wel goed voor deze prachtige houten bisjpaal, het lijkt wel een topstuk?’ vragen wij ons bezorgd af. We realiseren ons dat dit een retorische vraag is.
Op de eerste etage volgen we verbaasd de klanken van klassieke muziek (hoezo klassieke muziek in een etnografisch museum?) die ons naar de Balzaal leidt, waar een enorme vleugel een enorme, helemaal lege ruimte domineert. Dit is een voormalige expositieruimte. De zonwering die het felle zonlicht tempert verwijst nog naar de museale functie van de zaal. Her en der zijn ter decoratie enige kleine artefacten zoals boedhabeeldjes op muursokkels gezet. Hoger dan ooghoogte, maar zeker op grijphoogte, constateren de twee bezoekers die 1.65 en 1.70 meter lang zijn. Naast de Balzaal dwalen we een Salon in. Dat is niet de bedoeling want daar wordt een expositie ingericht. Op de tweede etage vinden we de Inca-tentoonstelling, waarin het thema “mensenoffers” de rode draad vormt.
In een donkere, geheimzinnige ruimte blijft onze aandacht gelijk gefascineerd bij de eerste introductietekst steken. Hier staat: “Het Andesgebergte in Peru is de bakermat van een geheel zelfstandige beschaving die in belang vergelijkbaar is met Mesopotamië en Egypte.” De antropoloog en historicus fronsen hun wenkbrauwen: ‘Hoe is dat mogelijk? Een geheel zelfstandige beschaving?' Hier hadden wij graag meer over willen weten omdat wij niet beter weten dan dat elke beschaving wordt beïnvloed door interacties als strijd en handel met hun omgeving? Ook hadden we graag uitgelegd gekregen waarin het belang van de Inca-beschaving vergeleken kan worden met die in Mesopotamië en Egypte. Daarna wordt onze aandacht afgeleid door het beeld van een gekruisigde Christus, als introductie op het thema “mensenoffers in de Andes”.
Volgens het bijschrift is de persoon Jezus Christus het meest bekende mensenoffer uit de Christelijke beschaving! Iets verder in de zaal wordt het verhaal van het ‘Meisje van Yde’ verteld als voorbeeld van een Nederlands mensenoffer uit de vroege Middeleeuwen. In een begeleidende video wordt overigens vermeld dat het niet vaststaat dat het hier om een ‘mensenoffer’ gaat, maar dat het een interpretatie is, die gebaseerd is op bijvoorbeeld het koord dat om haar nek zat.
Het is die nuance die we in de tentoonstelling missen. Nergens wordt uitgelegd op basis van welke aanwijzingen vastgesteld is dat het werkelijk om “kinderoffers” of "mensenoffers" gaat. Graag hadden we in de tentoonstellingsteksten gelezen wat de argumenten zijn waarom déze conclusie is getrokken, en geen andere. Het doet zeer onwetenschappelijk aan. De decoraties en motieven op aardewerk worden wel uitgebreid toegelicht, maar ook hier ontbreekt de noodzakelijke twijfel, was er niet ook een andere conclusie mogelijk geweest?
En we vroegen ons ook af waarvoor al die mooie kannen en kruiken gediend hebben? Na alle bloederige informatie over oorlogen waarbij de gevangenen onthoofd werden en het bloed opgedronken werd om overstromingen af te wenden, konden we alleen maar denken aan de functie van het opvangen van bloed. Maar mogelijk waren de meeste kannen gewoon bedoeld voor het hanteren van water, wijn of olie? Ook daarover hadden we graag meer te weten willen komen.
Los van de inhoud van de expositie was er nog iets anders dat ons verbaasde. Om recht te doen aan verzamelaars van de gewaardeerde bruiklenen is het goed gebruik dat daarbij de herkomst gemeld wordt. Dat is in deze tentoonstelling niet het geval. In het colofon worden de bruikleengevers, waaronder veel buitenlandse collega-instellingen, genoemd. Het had het museum gesierd als het per object aangegeven had waar het vandaag kwam. Nu is het niet duidelijk wat uit eigen bezit is, dat hadden we ook best graag willen weten.
De tentoonstelling was bijzonder fraai vormgegeven (o.a. door Geert Schuurmans theaterdecors te Rotterdam en RB Produktie uit Fynaart) en de objecten waren werkelijk schitterend, maar we verlieten de tentoonstelling puzzled, zoals de Engelsen dat zo mooi uitdrukken, en we vertrokken weer over de rode loper, met meer vragen in ons hoofd dan antwoorden.
Marianne de Bruyn en Marie Christine van der Sman
Inca’s Capac Hucha is nog tot 14 november te zien in het Wereldmuseum Rotterdam
