Internationaal cultuurbeleid: de enige samenhang is het nietje dat door de nota geslagen is
21 maart 2010
De beleidsbrief Grenzeloze Kunst (2008) werd door het veld (verwoord in Kunst over de grens (Boekman 80, 2009) met de nodige scepsis ontvangen. Toch biedt het beleid kansen voor musea die tot en met 2012 internationale samenwerkingsprojecten willen uitvoeren.
HGIS-cultuurmiddelen
Tijdens onze speurtocht naar financiering voor museumpresentaties, kwamen we al snel terecht bij subsidies voor internationale activiteiten. De HGIS-cultuurmiddelen bieden tot en met 2012 interessante subsidiemogelijkheden. Per jaar wordt € 8,8 mln besteed aan internationaal cultuurbeleid. De helft van dat bedrag gaat naar de fondsen (zoals de Mondriaan Stichting) en de andere helft is bestemd voor Dutch Design, Fashion and Architecture (DDFA), gezamenlijk cultureel erfgoed, een internationaal bezoekersprogramma, de Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA) en gerichte presentaties in het buitenland.
Keuzes voor thema’s, landen en regio’s
In de beleidsbrief Grenzeloze Kunst (2008) breekt voormalig minister Ronald Plasterk (OCW) een lans voor gezamenlijk beleid op het gebied van culturele uitwisseling met de Ministeries Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Dit laatste was nieuw en werd al geruime tijd bepleit door het Prins Claus Fonds en de Mondriaan Stichting.
In het plan maakten OCW en BZ een keuze voor disciplines waarop men de komende jaren wil focussen. Dat zijn de disciplines waarin Nederland internationaal sterk staat, zoals Dutch Design Fashion & Architecture. Ook is er een keuze gemaakt voor landen en regio’s waarin voor de Nederlandse cultuursector de grootste kansen liggen. Verder wordt blijvend en gericht aandacht besteed aan de Nederlandse presentatie in het buitenland, aan de internationale presentie in Nederland en gedeeld internationaal erfgoed; de samenhang tussen het internationaal cultuurbeleid en het thema cultuur en ontwikkeling zal bovendien worden versterkt. Klik hier om verder te lezen.
Voornaamste samenhang bestaat uit het nietje dat door de nota is geslagen
Ondanks de lof over de expliciete keuze voor thema’s en regio bij de besteding van de gelden – vooral vanuit de architectuur- en designwereld -, is deze beleidsbrief ‘in het veld’ met de nodige scepsis ontvangen. Boekman wijdde er afgelopen najaar een themanummer aan: Boekman 80. Kunst over de grens. Eentwintigste jaargang, najaar 2009 (ISBN 1571-5949; € 15). De kritiek spitst zich toe op een gebrek aan samenhangend beleid: “de voornaamste samenhang bestaat uit het nietje dat door de nota is geslagen en de scherpe grenzen die (net als de jaren ’70) tussen de verschillende departementen getrokken worden”, constateert Toine Minnaert. Christine Delhaye legt helemaal de vinger op de zwakke plek met de constatering dat Nederland, net als de meeste andere Westerse landen, zich genoodzaakt ziet zichzelf te profileren om de internationale afzetmarkt voor de ‘eigen’ cultuuruitingen te vergroten. Zij stelt een essentiële vraag bij de Nederlandse wens om culturele uitwisseling en diversiteit te bevorderen en ondersteunen: “Is het überhaupt mogelijk dat natiestaten een internationaal beleid hierop ontwikkelen? Is het internationale beleid gevoerd door natiestaten niet per definitie nationalistisch van aard?” Om te concluderen: “willen nationale overheden een effectief internationaal cultuurbeleid ontwikkelen, dan moeten zij hun visie op cultuur als ‘nationaal’ van aard laten varen”. Het is een interessant Boekman-cahier dat niet alleen het buitenlandbeleid (in historische context) uitdiept, maar tevens een inkijkje geeft in de uitwisseling van kunst en cultuur over de grens (popmuziek, beeldende kunst, design).
Marie Christine van der Sman
