Afzakkertjes (8)

31 januari 2010

Observaties vanaf de zijlijn door Drs. K. Bouter

Nationale historie (7)


Even een tijdje weg geweest uit Nederland en bij terugkomst dacht ik: nou, dat veelbesproken historisch museum zal inmiddels wel een flinke stap dichter bij de realisatie zijn. Maar het valt mij op dat we al een tijd lang niets meer horen van het Nationaal Historisch Museum. Het kan zijn dat de beide directeuren samen met hun conservatoren permanent in een afgelegen klooster in conclaaf zijn over hoe het nu verder moet. De ‘invulling’ zal ik maar zeggen. Het kan ook zijn dat er iets mis is. Dat daarom de boel stagneert. Dat de beide directeuren het niet eens kunnen worden, bijvoorbeeld. Of dat ze het domweg niet weten, dat kan ook nog. Er is in ieder geval een probleem.
Eén van beide directeuren zien we wel regelmatig. In een wekelijks televisieprogramma over moderne kunst. Daar legt Valentijn Bijvanck vakkundig uit hoe wij naar kunst moeten kijken en wat het betekent. Dat doet hij goed. Zwaaiend met zijn armen beweegt hij zich door de museale ruimten als een vis in het water. Het lijkt wel ballet. Die man kan het. Wat jammer dat het Zeeuws Museum hem nu kwijt is. Ook jammer dat Bijvanck wel bijklust op TV en leuk over moderne kunst praat, maar zich blijkbaar niet druk maakt over de visualisering van onze nationale historie. Zijn sparring partner Schilp kennelijk ook niet.
Maar ik geef toe: het is ook moeilijk voor kunsthistorici om na te denken over dit soort lastige vraagstukken. Ik weet er alles van. Wij weten wel iets van kunst, maar eigenlijk weten we vrijwel niets van geschiedenis. Echt wetenschappelijk geschoold zijn we eigenlijk ook niet, ofschoon we vaak wel doen alsof. De universitaire opleidingen kunstgeschiedenis schieten wat dit betreft toch iets tekort, vrees ik. Misschien is dat wel de reden waarom er tegenwoordig nauwelijks nog onderzoek gedaan wordt in Nederlandse musea en samenwerking met universiteiten ver te zoeken is.
Wetenschappers lossen problemen op. Dat is tenminste de bedoeling. Maar wat voor problemen worden nu door kunsthistorici opgelost? Wat zijn de puzzels waar ze zich in deze tijd over buigen? Het kan toch niet zo zijn dat wij ons beperken tot uiteenzettingen over kleurgebruik, vlakverdeling, eenheid in de compositie, het conceptuele en meer van dit soort zaken?
Als ik moderne kunsthistorici zo hoor praten krijg ik soms de indruk dat ze eigenlijk zelf graag kunstenaar zouden willen zijn. Sommige van deze artistes manqués dossen zich ook wat apart uit, met een hoed op of een fel gekleurde bril die zelden bij het hoofd past. Sommigen werpen zich op als een soort beschermheer of –vrouw van een of meer kunstenaars, wat toch doet denken aan een ouderwetse patroon-client verhouding en de onafhankelijke positie van de kunsthistoricus aantast. Er ontstaat als gevolg daarvan ook een relatie in financieel opzicht, niet alleen tussen kunsthistoricus en kunstenaar, maar ook tussen eerstgenoemde en het publiek. Veel kunsthistorici spelen een rol in de kunstmarkt en bepalen mede de hoogte van prijzen. Met onafhankelijke wetenschap heeft dat allemaal niet zoveel te maken. Laat staan met het oplossen van problemen.

Kunst en volkenkunde


In Rotterdam is na een grondige verbouwing het Wereldmuseum heropend. De directie wilde van dit volkenkundig museum een multicultureel centrum van spirituele beleving maken. Om dat doel te bereiken is naar het voorbeeld van het Parijse Musée du Quai Branly een deel van de collectie uitgestald aan de hand van kunsthistorische criteria. Dat is een trend die ook gevolgd is in het Museum voor Volkenkunde in Leiden. Ook daar zijn vrijwel alle objecten uit hun etnologische context gehaald en op grond van een subjectief schoonheidscriterium neergezet als kunstwerk. De inrichting in Leiden en Rotterdam is dan ook onder leiding van kunsthistorici gerealiseerd. In Leiden is, afgezien van de schoolklassen, het bezoekersaantal van het museum minimaal, dus dat belooft niet veel goeds voor Rotterdam. Want Leiden en Rotterdam zijn uiteraard geen Parijs, al lijken sommige mensen dat soms even vergeten te zijn in een aanval van naïef enthousiasme.
Niet alleen hebben kunsthistorici weinig verstand van geschiedenis, nog erger is het gesteld met hun kennis van etnologie of culturele antropologie. Daarom zien ze alle objecten als kunstvoorwerpen en stallen deze als zodanig uit. Dat leidt ertoe dat de meeste bezoekers er niets van begrijpen zonder de nodige uitleg. Maar van tekstborden en vergelijkbare educatieve ontsieringen houden moderne kunsthistorici niet, dus wordt de bezoeker een multimediale tunnel in gestuurd waar in de meeste gevallen het licht snel uitdooft.
Kunst is een westers begrip. In veel niet-westerse talen bestaat er niet eens een woord voor. De directeur van het Amsterdamse Tropenmuseum gaat nog een stap verder: hij is van mening dat de volkenkundige musea op moeten houden met verhalen over de koloniale tijd te vertellen. Dat zijn museum bestaat dank zij het koloniale verleden vindt hij niet interessant, want dat geeft een verkeerd beeld. Er verdwijnen dus twee elementaire zaken uit het volkenkundig museum: de historische context en de etnologische betekenis. Blijft over: kunst. En om dat te snappen heb je een kunsthistoricus nodig. Of een mediamannetje uit Hilversum.
De manier waarop in Nederland kunsthistorici de musea domineren begint langzamerhand bedenkelijke vormen aan te nemen. Alles wordt teruggebracht tot een aspect van moderne kunst en daarmee gereed gemaakt voor de markt. Want dat is waar het uiteindelijk om gaat. Niet om u als bezoeker een verhaal te vertellen dat ergens over gaat.


Drs. K. Bouter is gepensioneerd kunsthistoricus.