Boekrecensie. Bart Ankersmit, Klimaatwerk. Richtlijnen voor het museale binnenklimaat.
27 januari 2010
Boekrecensie. Bart Ankersmit, Klimaatwerk. Richtlijnen voor het museale binnenklimaat. Amsterdam University Press/ICN. Amsterdam 2009 (ISBN 978-90-8555-025-9)
Bij het Instituut Collectie Nederland staat het museale binnenklimaat al vele jaren op de beleidsagenda. Dit heeft geresulteerd is een onderzoek van Bart Ankersmit, klimaatdeskundige van het ICN. In de handzame publicatie Klimaatwerk (160 pag.)worden aanbevelingen voor collectiebeheerders geformuleerd om het klimaat in museale ruimten beheersbaar te maken en daarmee het verval van museale objecten tegen te gaan.
Tot nu toe hanteerden musea strikte klimaatsnormen. Deze werden gebruikt als ontwerpeisen en instelwaarden voor installaties. Vervolgens deed de techniek de rest. Klimaatinstallaties in historische gebouwen brachten vaak grote ingrepen met zich mee. Ruimteverlies en hoge exploitatiekosten waren daarvan de consequenties. Men verwachtte dat met een goede klimaatinstallatie de conditie waaronder objecten bewaard en getoond werden optimaal zou zijn. Vaak bleek echter het tegendeel het geval. Met de introductie van een klimaatinstallatie ontstonden weer nieuwe risico’s, onder andere veroorzaakt door gebrek aan kennis van museumbeheerders over het gebruik en onderhoud van de installaties.
Bart Ankersmit concludeert dat één universele veilige relatieve luchtvochtigheid niet bestaat: “Collecties in musea bestaan uit verschillende deelcollecties; de deelcollecties bestaan uit een variëteit aan objecten; de objecten bestaan uit een veelheid aan materialen in een veelheid van constructies. Vaak geldt dat verschillende objecten bij gelijke omgevingsfactoren verschillend reageren en daarmee dus een verschillend risico op schade lopen”.
Om die risico’s terug te dringen heeft Ankersmit een vier stappenplan geformuleerd om een goede klimaatstrategie te ontwikkelen.
Stap 1. Waardestelling. De besluitvorming over de aanpassing van het binnenklimaat begint met het inzicht in de betekenis en het toekomstige gebruik van het gebouw en de collectie. Daarbij moeten een ‘mission statement’ van het museum en de ‘significance’ van de collectie geformuleerd worden (beschrijving van het belang van de collectie uit o.a. historisch en esthetisch perspectief).
Stap 2. Mogelijkheden van het gebouw. Verzamel gegevens van het heersende binnenklimaat (door middel van langeduurmetingen en de beschrijving van de manier van verwarmen, ventileren, be- en ontvochtigen etc.).
Stap 3. Collectienoden. Bepaal de specifieke klimaatrisico’s voor het gebouw en de collectie. Voor monumenten met een museale functie moeten de risico’s voor het totaal aan (nagel)vaste en roerende goederen in kaart worden gebracht. Bepaal de gewenste binnenklimaatcondities. Enkele vuistregels. Hoe hoger de temperatuur, hoe sneller de chemische afbraak. Bij een relatieve luchtvochtigheid boven de 65% bestaat een hoog risico voor biologische afbraak (schimmel) en corrosie van metalen. Te grote relatieve-luchtvochtigheidsfluctuaties moeten vermeden worden. Voorkom condensvorming op koude oppervlakten.
Stap 4. Klimaatbeheersing. Bepaal of de risico’s al dan niet acceptabel zijn. Bij aanpassing van het binnenklimaat zijn twee strategieën denkbaar. De ene methode is de aanpassing van het klimaat rondom individuele objecten; hierbij worden lokale omgevingsfactoren beïnvloed. De andere strategie is de aanpassing van het klimaat rond de gehele collectie. Hierbij wordt ruimtelijk ingegrepen.
Uiteindelijk zal een kosten-batenanalyse (zowel financieel als wat betreft de waarde van de museale ruimte en de objecten) duidelijk maken voor welke methode gekozen wordt.
Ook de hoge eisen die bruikleengevers aan de condities rondom objecten stellen, spelen een rol bij het ontwikkelen van een goed binnenklimaat. De belangrijkste eisen binnen het internationale bruikleenverkeer zijn (samengevat): een relatieve luchtvochtigheid van 50% (met een maximale fluctuatie per dag tussen 45%-55%) en een ruimtelijke temperatuur tussen 18* C – 22*C.
Bij verbouwingen is het belangrijk dat de klimaatstrategie in bovengenoemde vier stappen is vastgelegd voordat het PvE (Programma van Eisen) van de verbouwing is vastgesteld.
Naar aanleiding van dit stappenplan heb ik twee aanbevelingen. Als vervolg op deze publicatie zou ik graag zien dat de Conserveringsstandaard van het Centraal Laboratorium uit 1997 die nog in 2005 door de Inspectie Cultuurbezit gehanteerd werd (zie: in de database van Museumservice bij het onderwerp conservering) wordt aangepast. Zo’n tabel is een belangrijk houvast bij klimaatmetingen door collectiebeheerders.
Ten tweede zou ik graag een paar ‘ideale voorbeelden’ uitgewerkt zien, bijvoorbeeld in musea in het buitenland. Vooral voor monumentale panden met een museale collectie (neem bijvoorbeeld De Gevangenpoort in Den Haag) is het bijzonder lastig om een verantwoord binnenklimaat te creëren, dat zowel recht doet aan het gebouw als de collectie.
Marie Christine van der Sman
