Afzakkertjes, deel 6

19 oktober 2009

Observaties vanaf de zijlijn door drs. K. Bouter

Beeldende kunst…? (1)
De vraag wat nu precies ‘kunst’ is en in hoeverre iets ‘kunst’ genoemd kan worden is een kwestie die maar niet weg te krijgen is uit de publieke discussie. Het is vooral een handjevol mensen dat zichzelf als kunstenaar wenst te manifesteren dat deze discussie voortdurend voedt. Met de door hen gefabriceerde kunstwerken uiteraard. Ik noem maar een paar voorbeelden. Zo is daar Jonas Staal, die het idee heeft opgevat om in Venlo, voor het Limburgs Museum, twee kapotte ambulances neer te laten zetten. Een kunstenares, van wie ik de naam gelukkig kwijt ben, put zich uit om in haar kunst dode dieren te verwerken. En dan is daar Damian Hirst, die iedereen probeert wijs te maken dat hetgeen hij laat zien kunst is. Waarom begin ik hierover? Wat doe ik mezelf aan om deze zinnen op te schrijven? Nu doe ik nota bene ook mee aan dit belachelijke debat. Antwoord: ik moet het kwijt, want het vreet aan me.
Wat is er aan de hand? Ooit, in een ver verleden, heb ik geleerd dat kunst met heel veel dingen te maken heeft, waaronder originaliteit en vakmanschap, maar ook dat één van die dingen – en niet het minst belangrijke – het begrip ‘schoonheid’ is. Een beroemd boek dat ik in die tijd verslond heette ook Eeuwige Schoonheid en ik vind dat nog steeds een mooie, ik zou bijna zeggen wonderschone titel. Nu werpt u mij natuurlijk onmiddellijk voor de voeten dat schoonheid een relatief en subjectief begrip is, wie bepaalt dat en op grond waarvan, nog tijdgebonden ook, en kun je daaromtrent wel algemene uitspraken doen, en zo meer. Allemaal waar, ik weet het, maar dat neemt niet weg dat er zoiets als schoonheid bestaat. Een intrinsieke schoonheid, hoe relatief, tijdgebonden, en weet ik wat nog meer. Het bestáát, ook al beperken kunsthistorici zich liever tot het waarom ervan.
Het gaat er niet om dit begrip te definiëren, dat doet ieder maar voor zichzelf, het gaat erom die schoonheid te vinden. En dat kost moeite, daar moet je wat voor doen. Mijn probleem is nu dat het mij niet lukt, hoe ik me ook inspan, om ook maar het geringste spoor van schoonheid te vinden in twee kapotte ambulances. Of in een kunstwerk dat uit dode dieren bestaat. Of in de opgesmukte bling-bling schedel van Hirst. Gelooft u mij: ik doe verschrikkelijk mijn best, ik put mij uit, beul me af, maar het lukt niet.
Ik denk dat dit komt omdat die inspanning alleen van mij komt. De kunstenaars over wie het hier gaat spannen zich namelijk helemaal niet in. Staal heeft die ambulances niet zelf gemaakt, laat staan kapot gemaakt, nee, hij laat ze daar gewoon neerzetten. De kunstenares met haar dode dieren heeft evenmin een inspanning geleverd. En Hirst doet ook niets: die heeft een heel leger mensen in dienst die op zijn aanwijzingen iets in elkaar zetten.
Wat blijft er dan over? Het kunstwerk is op deze manier afgezakt tot niets meer dan een ideetje, een statement, dat slechts tot doel heeft mensen te shockeren, te provoceren. Heel even maar, want daarna loopt iedereen weer door. De ambulances worden na verloop van tijd weer opgeruimd, de dode dieren ook, en de schedel verdwijnt in een depot. Volgens Staal gaat het in de kunst om politiek. De kunstenaar moet de politiek van commentaar voorzien. Daar is niets mis mee, integendeel. Maar hoe kan het nou dat ik in het werk van Fernand Léger, Marcel Duchamps, Otto Dikx, Max Ernst, Ossip Zadkine, om maar een paar voorbeelden te noemen, méér zie dan alleen maar een statement, terwijl dat ook een commentaar is op politiek? U raadt het al: deze kunstenaars leveren een inspanning. Dat voel je, en dat zie je. Dat is (de) kunst die telkens wéér gezien moet worden. Vanwege de intrinsieke schoonheid.

Beeldende kunst (2)
De afgelopen jaren is veel te doen geweest over het teruggeven van kunstwerken uit Nederlandse musea aan erfgenamen van veelal joodse eigenaren. Kunstwerken die door de chaos van de Tweede Wereldoorlog op volgens sommigen dubieuze wijze in onze musea terecht zijn gekomen. De kwestie Goudstikker is hiervan het meest bekende voorbeeld.
Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de commissie die in Nederland deze zaak begeleidt, onder voorzitterschap van Rudi Ekkart, wel erg snel is geweest met de massale teruggave van kunstwerken. Het lijkt wel of er op grote schaal uitverkoop gehouden wordt om te voorkomen dat er vervelende rechtszaken tegen de staat worden aangespannen door gewiekste Amerikaanse advocaten. Daar komt bij dat de erven Goudstikker zonder twijfel slechts op één ding uit zijn: zoveel mogelijk geld verdienen aan deze kwestie.
Ik volg de berichtgeving hierover al geruime tijd en ik ben eigenlijk nooit een indicatie tegengekomen die erop zou wijzen dat er tegen al die claims enig substantieel verzet is geboden van de zijde van de commissie. Kennelijk is het doel om zo snel mogelijk van alles wat maar enigszins zweemt naar de status ‘dubieus’ af te komen. Vanwaar dit angsthazerig gedrag? Waarom niet de juridische arena betreden en vechten voor het behoud van tenminste een aantal toonaangevende werken? Het gaat hier bovendien vaak om werk van Nederlandse kunstenaars. We weten inmiddels dat een deel van de teruggegeven kunstwerken op de markt is verhandeld voor prijzen waar musea niet aan toe kunnen komen.
Daarom is het een goede zaak dat er nu dan toch een poging wordt gedaan om een belangrijk werk voor Nederland te behouden, namelijk De huwelijksnacht van Tobias en Sara van Jan Steen. Het schilderij is helaas in de 19e eeuw in tweeën gesneden, waarbij het linker deel in 1931 in de collectie van Goudstikker terechtkwam, terwijl het rechter deel al in 1907 door Abraham Bredius was gekocht. Na de oorlog kwam het linker deel in de collectie van de Nederlandse staat terecht. In 1996 werden beide delen herenigd. Een advies om niet over te gaan tot hereniging werd toen in de wind geslagen. Je kunt je namelijk op kunsthistorische gronden afvragen of die hereniging wel zo verstandig was. De gemeente Den Haag, toch al niet een koploper als het gaat om behoud van cultureel erfgoed, had geen geld over voor de aankoop van het inmiddels door de erven Goudstikker geclaimde linker deel, en wat besloot de commissie Ekkart in haar oneindige wijsheid? Geef het hele schilderij maar terug. Als dat advies om af te zien van hereniging toentertijd was opgevolgd was er nu geen probleem geweest. Beter een halve Jan Steen dan helemaal geen Jan Steen!
Maar nu is er dan een actiecomité ‘Jan Steen moet blijven’ en een stichting die zich ten doel stellen te voorkomen dat het hele schilderij uit Nederland verdwijnt. Er moet dus geld op tafel komen om het linker deel te kopen. Ik dacht een tijdje terug natuurlijk onmiddellijk aan Dirk Scheringa, maar misschien zijn de Nederlandse Bank van Nout Wellink en het ministerie van financiën van Wouter Bos betere kandidaten. Want het kunstwerk opnieuw in tweeën snijden is geen optie. Of toch wel…?

drs. K. Bouter is een dissident kunsthistoricus.