Uitslag onderzoek Franse museumactiviteiten 2008

20 juli 2009

Uitslag onderzoek Franse museumactiviteiten 2008

Het Journal des Arts publiceerde in juni voor de zesde keer een museumonderzoek. 362 Franse musea deden mee aan de enquête waarbij zij werden ondervraagd over hun activiteiten in 2008. Musée du quai Branly scoort opvallend hoog.

De vragen uit de enquête die in maart en april 2009 aan 968 musea werd gestuurd, concentreerden zich op drie basistaken van musea: (1) ontvangst van het publiek, (2) dynamiek (o.a. tentoonstellingen, educatie en mecenaat) en (3) conservering (aanwinsten, restauratie en inventarisatie).
Voor het eerst moet het Louvre z’n eerste plaats in het klassement afstaan aan Centre Pompodou (eerste plaats) en Musée du quai Branly (tweede plaats). Opvallend is dat regionale musée des beaux-arts in Lille (zevende plaats), Lyon (achtste plaats) en Rouen (negende plaats) heel hoog scoren. Ook in Frankrijk geldt – zie het e-nieuwsbericht # 34 (20 mei 2009) waarin aandacht werd besteed aan ‘Musea in de regio’ – dat musea in de provincies het goed doen. Er zijn opvallende trends waarneembaar: musea behalen gemiddeld meer inkomsten uit entreegelden, de kosten van tijdelijke tentoonstellingen zijn aanzienlijk hoger dan vorig jaar en er wordt minder geld uitgegeven aan renovaties van gebouwen. Door de crisis zien veel musea hun inkomsten uit commerciële activiteiten afnemen; zo is de winkelverkoop van het Louvre aanzienlijk gedaald.

Publieksontvangsten

Op het gebied van de publieksactiviteiten scoort het etnografische museum Musée du quai Branly het hoogst. Dat wordt veroorzaakt door de goede toegankelijkheid voor onder andere minder validen, een goed educatief programma, openstelling van alle zalen, de inzet van audio guides en de organisatie van avondactiviteiten. Het museum was 156 avonden open voor het publiek (in vergelijking met Centre Pompidou dat 300 dagen per jaar tot 22.00 uur geopend is). Uit onderzoek van de Musées Nationaux blijkt dat avondopenstellingen in Parijs lucratief zijn en populair bij de werkende bevolking van de stad. De personeelskosten zijn dan echter wel extra hoog.
De entreeprijs van Quai Branly is € 8,50 (voor een volwassene). Dat is redelijk vergeleken met de entreeprijzen voor het Louvre (€ 12) en het Chateau de Versailles (€ 13,50).
Het gemiddelde entreetarief van Franse musea ligt echter veel lager, rond de € 3,50. Veel nationale musea en gemeentelijke musea zijn namelijk gratis.
Opvallend is dat slechts de helft van de ondervraagde musea een gratis plattegrond heeft. Ook ontbreken bij 50% van de musea audiotours en zalen voor educatieve activiteiten voor jongeren. Slechts 30 % van de musea beschikt over een elektronische nieuwsbrief.
Le Journal des Arts constateert dat een goede publieksontvangst de hoogste prioriteit moet krijgen in deze tijd van 'culturele democratisering'; bovendien kunnen musea daarmee meer eigen inkomsten verwerven in een economisch moeilijke periode.

Dynamiek

Franse musea blijken erg actief te zijn. In totaal brachten 41 miljoen mensen in 2008 een bezoek aan een museum; 30 miljoen daarvan aan musea in Parijs. Musea vormen dan ook de culturele motor van dit gebied. Het aantal toeristen is gestegen naar 75 % van het totale aantal bezoekers (ten opzichte van 58% in 2007). Dat betekent dat de musea meer inspanningen moeten verrichten om de eigen regio te bedienen. Het schoolbezoek steeg van 11% naar 21%. Ook het percentage gratis bezoek nam toe tot 37%. Dat wordt verklaard door het initiatief van het Ministerie van Cultuur in 2007 om veertien nationale musea en monumenten gratis toegankelijk te maken. De stedelijke musea in Parijs zijn al sinds 2002 vrij te bezoeken. Het aantal exposities bleef ongeveer gelijk: 1163. Bezuinigd werd er op wetenschappelijk onderzoek. 
Wat betreft ‘dynamiek’ staat het Musée des Beaux Arts in Lyon als tweede op de hitlijst. Dat wordt veroorzaakt door het grote aantal tentoonstellingen (tien met een totaal budget van € 1 miljoen), interessante aanwinsten dankzij de inzet van mecenassen en een goede samenwerking met het Louvre. Centre Pompidou is het meest actief met drie en twintig exposities en het royale budget van € 6,7 miljoen (€ 290.000 per tentoonstelling).
Nationaal is het aantal verenigingen van museumvrienden gestegen van 107.000 naar 135.000. Ondanks het feit dat vrijwel overal erkend wordt dat mecenaat belangrijk is voor musea werken er in de branche weinig experts op dit gebied: 108 personen (ten opzichte van 97 in 2007).

Conservering

Het peloton wordt gevormd door Quai Branly (1), Louvre (2), Pompidou (3) en Orsay (4).
Het Musée du quai Branly dankt z’n eerste plaats aan de integrale registratie van z’n collecties en de complete documentatie van alle werken, waarvoor het Nederlandse ICT-bedrijf Cit uit Den Haag onder leiding van Brik de Zwart verantwoordelijk is !
Dat is een enorme prestatie. Het Louvre heeft ‘slechts’ 70% van alle objecten geregistreerd en
van slechts tweederde van alle Franse musea is de collectie in een geautomatiseerd bestand opgenomen.
Aan aanwinsten is in 2008 beduidend minder geld uitgegeven. Centre Pompidou is met een uitgebreid en internationaal mecenaatsprogramma gestart om meer aanwinsten te verkrijgen. Daarvoor zijn negen speciale medewerkers aangesteld.
Wat betreft de restauraties van objecten spant het Louvre de kroon: in 2008 werd voor € 2,5 miljoen gerestaureerd. Dat maakt het museum gelijk het duurste museum (op basis van de gemiddelde kosten per bezoeker).

Het Franse onderzoek van Le Journal des Arts is de moeite waard om te vergelijken met  trends in Nederland. Wellicht valt er veel te leren uit een intensieve vergelijking tussen beide landen. MuseumService gaat in Nederland een vergelijkbaar onderzoek uitvoeren. Daarbij wordt de Franse expertise ingezet. We zullen u hierover binnenkort nader informeren.

Marie Christine van der Sman

Bron: Daphné Bétard et Sophie Flouquet, Classement des musées, in: Le Journal des Arts, 12-25 juin 2009. pp. 13 t/m 24.