Boekrecensie. Renée Steenbergen, De Nieuwe Mecenas, Uitgeverij Business Contact, Amsterdam 2008.
19 juni 2008
De bijdragen van particulieren aan de kunstsector zijn tot op de dag van vandaag onmisbaar voor de kunst- en cultuursector. Vaak speelt het schenken aan kunstinstellingen zich achter de schermen af. Daardoor is het fenomeen ‘mecenaat’ relatief onbekend en ondergewaardeerd.
Omdat het voor veel kunstinstellingen van levensbelang is om meer geld uit private middelen of kunstwerken uit privébezit te verwerven, heeft de kunsthistoricus Renée Steenbergen een onderzoek verricht naar de motieven van schenkers en stichters van fondsen of verzamelingen en naar de manier waarop zij bijdragen leverden aan de kunsten. Ruim tachtig particulieren uit binnen- en buitenland werden geïnterviewd: stichters van vermogensfondsen en fondsen op naam, verzamelaars die hun eigen museum stichtten, leden van geefkringen en pro bono fondsenwervers.
Het resultaat is een verrassend boek waarin het moderne mecenaat, compleet met statistische gegevens en adviezen over belastingaftrek van giften van particulieren, uitvoerig belicht wordt. In een klimaat waarbij de overheid zich steeds meer terugtrekt als subsidieverstrekker en waarin de groep ‘nieuwe rijken’ steeds groter wordt, is er een toenemende bereidheid om geld of goederen te schenken aan kunst en cultuur. Zo willen major donors zoals eigenaren van succesvolle bedrijven, graag iets teruggeven aan de maatschappij waarin men carrière heeft kunnen maken. In De Nieuwe Mecenas ligt de nadruk op mecenaat in de museumwereld, vanwege de rol die de musea spelen als beheerders van cultureel erfgoed en hun nationale importantie.
Steenbergen signaleert twee trends in de museumwereld: die van een toenemende internationalisering van grote musea door schaalvergroting en export van delen van hun collecties naar andere landen of zelfs werelddelen (zoals bij het Guggenheim of de Hermitage) en een toename van particuliere musea van privéverzamelaars (Museum Beelden aan Zee (1994), Scheringa Museum voor Realisme (1997) en Museum Belvédère (2004). De eigenaren van deze musea zijn kunstliefhebbers, die heilig geloven in het particuliere initiatief en die hun kunst hebben ondergebracht in een vermogensstichting, die ze uit overtuiging autonoom financieren. Privémusea maken waar wat door de overheid gefinancierde musea niet lukt: ze draaien zonder structurele subsidie.
Dit heeft de overheden op de gedachte gebracht om gesubsidieerde musea te stimuleren meer geld bijeen te brengen uit private middelen. Daarbij wordt echter één grote denkfout gemaakt: gesubsidieerde musea kunnen zelf minder geld op de vrije markt vinden dan met privaat gefinancierde privémusea. Bovendien zal het nationale museum alleen maar een rol kunnen spelen in het internationale veld met een sterke steun vanuit de rijksoverheid, die tevens de eigenaar van de collectie is. Uiteraard kunnen private partijen die musea vervolgens helpen te excelleren.
Steenbergen houdt een pleidooi voor een situatie, waarbij overheidssteun en particuliere ondersteuning hand in hand gaan. De overheid moet het schenken nog aantrekkelijker maken, onder andere door het bieden van fiscale voordelen. Ook de waardering voor de mecenas door de overheid is van belang. De overheid denkt soms eenvoudig: "wij trekken ons terug, laat de markt het maar overnemen". Bij kunst en cultuur werkt dat niet. Juist als de overheid z’n taak als erfgoedbeheerder serieus neemt, door bijvoorbeeld het museumpand en de collectie goed te beheren of het internationaal bruikleenverkeer te stimuleren door gunstige verzekeringsvoorwaarden en indemnity-verklaringen, komen de giften van particulieren sneller binnen.
De Nieuwe Mecenas (€ 24,90, ISBN 9789047000433 ) is een prettig geschreven en goed gedocumenteerd boek, dat een handig naslagwerk is voor museumdirecteuren of fondsenwervers die op zoek zijn naar privaat geld om activiteiten in musea mogelijk te maken.
Marie Christine van der Sman
