Nieuw Nationaal Historisch Museum wordt speelbal van de politiek

13 april 2008

In de NRC verscheen onlangs een opmerkelijke advertentie waarin geworven wordt voor een tweekoppige directie voor het Nationaal Historisch Museum (NHM). Voor de functie van algemeen directeur zoekt men een politicus en de inhoudelijk directeur mag een ambtenaar zijn. De auteur vraagt zich af waarom er geen vakinhoudelijke expertise wordt vereist. 

Het heeft even geduurd sinds Arnhem aangewezen werd als locatie voor het Nationaal Historisch Museum, maar nu is het eindelijk zover. De stuurgroep onder leiding van tweede kamerlid Atzo Nicolai (VVD) is op zoek naar twee boegbeelden, een algemeen directeur en een inhoudelijk directeur, die de Canon van Frits van Oostrom moeten omwerken naar een museaal concept. In de advertentietekst wordt ook een niet nader gedefinieerde directeur nieuwbouw genoemd, zonder dat daarover verder wordt uitgewijd.

Het valt op dat de algemeen directeur niet belast is met de eindverantwoordelijkheid van de organisatie. Hij krijgt wel de dagelijkse leiding, maar wordt niet de leidinggevende van de inhoudelijk directeur en directeur nieuwbouw. Ze moeten samen een team gaan vormen. Volgens mij is dat dé manier om problemen in de hand te werken: drie directeuren benoemen op gelijk niveau, die samen de eindverantwoordelijkheid dragen.
Ik daag de stuurgroep uit om één organisatie te noemen waar een dergelijke structuur goed werkt. Verklaring voor deze jaren ’60-organisatiestructuur van ‘samen doen’ kan volgens mij alleen maar zijn dat de stuurgroep, de Haagse politiek dus, zelf de meeste zeggenschap over het NHM wil behouden.

Voor de functie van algemeen directeur zoekt men iemand met ‘academisch werk- en denkniveau’ en ‘ruime bestuurlijke ervaring’. In Haags jargon bekent dit dat men een politicus zoekt. Blijkbaar prevaleert ‘het weten hoe de hazen lopen’ boven kennis van zaken bij het opzetten en inrichten van een museum. Voor alle duidelijkheid: we hebben het hier over kennis van collecties (zoals acquisitie, digitale registratie, conservering en het verantwoord exposeren van objecten) en het integreren van wetenschappelijk onderzoek in museumpresentaties als tentoonstellingen en educatieve projecten. Een vak apart dat men alleen met jarenlange ervaring in een museum onder de knie krijgt. Een museum aansturen kan elke manager wel, lijkt de politicus hier te denken.

Op zich is dat nog tot daar aan toe. Veel musea worden tegenwoordig door managers geleid. In dat geval is de tweede persoon in de directie meestal iemand die goed thuis is in het museale vakwerk. Helaas is ook dat bij het NHM niet aan de orde. Van de inhoudelijk directeur, wederom met ‘ academisch werk- en denkniveau’, wordt namelijk verwacht dat hij ‘een vernieuwend concept voor het museum, gericht op de bevordering van historisch besef en kennis kan ontwikkelen’. Mijns inziens is dit onmogelijk zonder dat hij of zij is opgeleid als historicus en museoloog. Verwacht men dat een bepaalde topambtenaar van het Ministerie van OCW gaat solliciteren?

Het grote bezwaar tegen het benoemen van mensen ‘met academisch werk- en denkniveau’ op de directiefuncties bij het NHM is gelegen in het feit dat juist van hen een historisch wetenschappelijke mentaliteit verwacht wordt. Zij moeten boven de materie staan en actuele geschiedwetenschappelijke theorieën in combinatie met museologische vaardigheden kunnen vertalen in tentoonstellingsconcepten, educatieve programma’s en debatten van nationaal belang. Daar ligt de vernieuwing en de uitdaging voor de het NHM!

Marie Christine van der Sman