De Staat koopt kunst

17 maart 2008

Boekrecensie van Fransje Kuyvenhoven, De Staat koopt kunst De geschiedenis van de collectie 20ste-eeuwse kunst van het ministerie van OCW 1932-1992, ICN/Primavera Pers, Amsterdam/Leiden 2007. ISBN 978-90-5997-053-3 

Een nagenoeg onbekende collectie beeldende kunst en kunstnijverheid vormt het onderwerp van De Staat koopt kunst De geschiedenis van de collectie 20ste-eeuwse kunst van het ministerie van OCW 1932-1992.
In het recent verschenen, ruim 400 bladzijden tellende boek met deze titel beschrijft Fransje Kuyvenhoven de verwervingsgeschiedenis van ongeveer 29.000 voorwerpen: een bonte verzameling van schilderijen, tekeningen, grafiek, beelden, wandtapijten, vloerkleden, gordijnstoffen, video’s, sieraden, vazen, borden, schalen, potten serviezen, installaties, foto’s boeken, enzovoorts. 35 Pagina’s noten, 16 pagina’s bronnen (literatuur, instellingen en geïnterviewde personen) en ruim 50 pagina’s voor een summary, bijlagen, appendices, index en verantwoording afbeeldingen, laten zien dat het hier om een gedegen proefschrift gaat. Voor hen die beroepshalve betrokken zijn bij moderne kunst vormt het verplichte literatuur. Maar door de vlot leesbare stijl van de jonge doctor, het onbekende terrein dat zij beschrijft en de ruim 80 pagina’s afbeeldingen van zelden of nooit vertoonde kunstwerken, zal de inhoud van het boek ook voor andere belangstellenden een welkome aanvulling zijn op hun kennis van het 20ste-eeuwse kunstbedrijf in Nederland.

Behalve de vaak zeer gedetailleerde opsommingen van kunstaankopen door het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en zijn opvolgers vanaf 1932 tot 1992 schetst de auteur ook het kunstzinnig klimaat, de netwerken van politici, ambtenaren en kunstenaars, en de bedragen die door de jaren heen met de collectievorming zijn gemoeid. Zij heeft haar onderzoeksresultaten gestructureerd vanuit de centrale vraag welk beleid aan de aankopen en opdrachten door de overheid ten grondslag lag en hoe dat beleid in de praktijk werd uitgevoerd. Interessante daaruit volgende vragen zijn dan bijvoorbeeld: Hoe kwam het ministerie tot de keuze van de kunstenaars? Had het de voorkeur voor een bepaald type kunstwerken of voor bepaalde genres? Waar werden die gekocht? Wat was de bestemming van de aankopen? Waarom is er nooit een museum voor 20ste- eeuwse kunst voor deze collectie opgericht?

In 5 chronologisch hoofdstukken - een logische onderverdeling op grond van ingrijpende wijzigingen in het aankoop- en opdrachtenbeleid van de overheid – beschrijft Kuyvenhoven de resultaten van haar onderzoek:
1932-1940 Het alternatief voor steun: opdrachten en aankopen; het begin van een artistiek kunstbeleid op het ministerie van OKW als tegenhanger van een sociaal kunstenaarsbeleid op het ministerie van Sociale Zaken, en de aanzet tot een depot voor rijkskunst,
1940-1945 Stimulering van geaarde en gezonde kunstenaars,
1945-1972 Cultuurspreiding als wapen tegen geestelijke vervlakking; esthetische vorming en het wegnemen van economische beletsels als speerpunten van een actieve cultuurpolitiek,
1972-1983 De kunst moet de provincie in: het witte-vlekkenplan; tentoonstellingen maken van eigentijdse kunst voor locaties in Nederland waar mensen normaliter niet met moderne kunst in aanraking komen,
1983-1992 ‘Breed verzamelen’ voor een overzicht van Nederlandse 20ste-eeuwsw kunst.

In hoeverre werden de bovenstaande doelstellingen van het beleid ook gerealiseerd? In het oordeel van de schrijfster komen de cultuurspreiding en het witte-vlekkenplan er het slechtst vanaf. Veel positiever is zij over de nationaal-socialistische Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK): ‘Wat het DVK aan beleid op papier zette werd uitgevoerd’. Ook het veronderstelde slechte functioneren van de Kultuurkamer weet zij te ontzenuwen: het gros van de kunstenaars werkte eraan mee en de groep principiële weigeraars was klein. Overwegend positief is ook het resultaat van beleid vanaf 1983, uitgevoerd door de Rijksdienst Beeldende Kunst: veel kwalitatief goede kunst kwam in rijksbezit en de RBK toonde zich een actieve coördinerende organisatie in tentoonstelingsprojecten. Volgens de schrijfster leidde juist het succes van de RBK tot zoveel spanningen bij zowel het ministerie als de musea dat het aankoopbeleid in 1992 werd stopgezet. Het budget werd overgeplaatst naar de Mondriaanstichting.
Daarmee werd een punt gezet achter de collectievorming door het ministerie.

Marianne de Bruyn