Project Digitaal Erfgoed Nederland: even duur als een stukje Betuwelijn
17 december 2007
Tijdens de DE-conferentie (DE is Digitaal Erfgoed, zie www.den.nl) in Rotterdam op 12 en 13 december met als thema ‘Zoek jezelf’ presenteerde Theo Camps van Bureau Berenschot als voorzitter van het consortium ‘Nederlands Erfgoed: Digitaal’ het projectplan ‘Nederlands Erfgoed: Digitaal!’. Kosten: € 186 miljoen, even duur als een stukje Betuwelijn.
Maar ja, wat is een bedrag van € 186 miljoen nu helemaal, vergeleken met de kosten van de aanleg van spoor- of snelwegen? En dan te bedenken dat er tussen € 172 en € 223 miljoen aan inkomsten uit licenties, toename van museumbezoek e.d. tegenoverstaan, althans volgens de berekening van SEO Economisch Onderzoek.
Is dit een bekend refrein? Hebben we dit liedje al eens eerder gehoord?
In de tijd van grote bezuinigingen (1992) bij de Gemeente Den Haag riep Rudi Fuchs, toen directeur van het Haags Gemeentemuseum, bij het wegwerken van een financieel tekort van maar liefst één miljoen gulden bij zijn museum: “Gemeente Den Haag, waar hebben we het over? Dat is het bedrag van slechts een klein stukje snelweg”. Daarna stak deze dooddoener herhaaldelijk de kop op bij discussies over bedragen die in Nederland aan kunst en cultuur worden besteed, bij elkaar nog geen 1% van het BNP!
Wat betreft de verwachte inkomsten van het project ‘Nederlands Erfgoed: Digitaal’ erkent SEO in de inleiding: “Omdat het project (…) zeer vooruitstrevend is in zijn aard en ambitie, moest in veel gevallen gebruik gemaakt worden van kengetallen en schattingen”: een flinterdun argument dat eveneens een Aha-erlebnis oplevert. Worden bij verbouwingen van musea en andere grote projecten de inkomstenverhogingen van musea niet altijd te hoog ingeschat? Omdat de ambities van het museum worden afgemeten aan de kosten van het project en de nieuwe exploitatiebegroting? ‘Je rijk rekenen’, noem ik dat.
OK, de investeringen zijn hoog, de inkomsten ‘onzeker’, maar is het project die hoge kosten ook waard – zelfs als er geen inkomsten tegenover zouden staan?
Wanneer we naar de inhoud van het projectplan kijken, valt op dat de ambities van het museale consortium hoog zijn. Hierin hebben zich de grote, toonaangevende musea verenigd, als het Rijksmuseum, Naturalis, het Nederlands Openlucht Museum. Gezamenlijk willen zij een ‘gezaghebbende digitale collectie Nederlands erfgoed’ creëren. Daarmee zou de zichtbaarheid van de Nederlandse cultuur in virtuele, nationale en internationale gemeenschappen verbeterd worden. De uitvoering van het plan beslaat zes jaar, te beginnen in 2009.
Inhoudelijk ziet het er goed uit. Samen willen de grote erfgoedinstellingen hun collecties digitaal via het internet ontsluiten: informatie die onmisbaar is voor onderwijs, wetenschap, toerisme, creatieve industrie en iedereen die geïnteresseerd is in cultuur. Het informatie- aanbod moet meertalig worden aangeboden op uniforme, gestandaardiseerde en duurzame wijze. De Canon van Nederland wordt als uitgangspunt genomen bij de selectie van het te digitaliseren erfgoed. Naar voorbeeld van de European Digital Library (gecoördineerd door de Koninklijke Bibliotheek) zou Nederlands Erfgoed Digitaal, bestaande uit miljoenen objecten, archivalia of boeken, met één muisklik beschikbaar komen aan ieder die het maar wil bekijken en gebruiken. Nederland kan zich met dit project als voorloper presenteren in de krachtige kenniseconomie in Europa.
Collecties worden zoveel mogelijk in het geheel gedigitaliseerd. Binnen de collecties worden geen handmatige selecties gemaakt.
Als te digitaliseren collecties worden genoemd:
- Nederlands Openlucht Museum: 20.000 objecten uit het dagelijks leven
- Rijksmuseum Amsterdam: 200.000 (kunst-)voorwerpen als schilderijen, etsen, munten, kaarten, meubelstukken
- Nederlands Fotomuseum: 975.000 foto’s
- Naturalis: 455.000 objecten op natuurhistorisch gebied
- Nederlands Architectuur Instituut 220.000 tekeningen, 900.000 documenten en 300 maquettes
- Beeld en Geluid: 30.000 uur aan audiovisueel materiaal uit AV-collecties
- Letterkundig Museum: archieven van ongeveer 50 auteurs
- Rijksmuseum voor Oudheden: 14.000 objecten uit prehistorie, Romeinse periode en middeleeuwen
- Nationaal Archief: 300.000 kaarten en documenten van overheidsinstellingen
- Koninklijke Bibliotheek: 14 miljoen pagina’s uit 300 verschillende tijdschriften
Bij de selectie van de te digitaliseren ‘toonaangevende collecties’ van de consortiumpartners gelden de volgende criteria:
- Heldere relatie met de Canon van Nederland
- Belangrijke iconen voor tijdvakken, gebeurtenissen en verhalen
- Onvervangbaar en onmisbaar voor Nederlands cultuurbezit
- Zeer geschikt om verhalen mee te kunnen vertellen.
- Bruikbaar voor onderwijs, onderzoek, cultuurgeschiedenis, cultuurtoerisme en creatieve industrie
- Kwetsbaar materiaal (dat meestal achter slot en grendel wordt bewaard)
- Samenhang met andere collecties voor zo volledig mogelijk beeld van nationaal erfgoed
- Visueel aantrekkelijk en waar mogelijk multimediaal
- Geschikt om historisch cultureel bewustzijn te bevorderen
Men geeft aan dat ook ‘relevante andere collecties gedigitaliseerd worden’, zoals belangrijke regionale of lokale collecties. De grote afwezige in deze reeks is de Stichting Volkenkundige Collectie Nederland. De musea die hierbij zijn aangesloten, zoals het Tropenmuseum, het Rijksmuseum voor Volkenkunde en het Wereldmuseum, hebben grote collecties die een directe relatie leggen met het koloniale verleden van Nederland. Bovendien zijn die al grotendeels digitaal ontsloten. Ook worden grote stedelijke (historische) musea, maritieme musea en vormgevingscollecties nergens genoemd als mogelijke samenwerkende partners.
Het plan had mijn inziens wel wat zorgvuldiger kunnen worden uitgewerkt en financieel onderbouwd om een betere schets te geven van het landschap van het Nederlands Erfgoed. Dan zou dit project een waardige tegenhanger kunnen worden van dat stukje Betuwelijn.
Marie Christine van der Sman
