Boekrecensie
15 oktober 2007
Valentijn Byvanck, Kunst moet je voelen, Zeeuws Museum, 2007, 99 pagina’s
Een pakkende titel, met grote witte letters op een aantrekkelijke omslag, in een handzaam formaat. Zo’n boekje geeft een goed gevoel. Onwillekeurig pakt de bezoeker van het Zeeuws Museum er een van het stapeltje op de balie om het vluchtig in te kijken. Heel veel illustraties, ze vullen 66 van de 99 pagina’s, mooi, gek, eigenaardig, kleurrijk, verrassend, een intrigerend onsamenhangende opeenvolging van beelden. Dat maakt nieuwsgierig naar het verhaal erbij. Voor het bedrag hoef je het niet terug te leggen. € 9,90 is niet te veel voor zo iets verleidelijks.
Na lezing van enkele pagina’s blijkt het boekje de ‘mission statement’, ofwel de beleidsbepalende visie van de directeur van het vernieuwde Zeeuws Museum te zijn. Bij het ontbreken van een voorwoord of inleiding komt het enigszins als een verrassing dat tekst en afbeeldingen bijna nergens met elkaar in verband staan. In korte fragmenten, in ogenschijnlijk tamelijk willekeurige volgorde, heeft de auteur/directeur zijn gedachten op papier gezet. Dat wil niet zeggen onsamenhangend. Het geheel van korte notities vormt een consistente visie op de functie en de plaats van zijn museum in de hedendaagse maatschappij. In kernbegrippen: vernieuwend, experimenteel, onorthodox, het gebruik van film, hetzelfde effect sorteren als een goede reclame, nieuwe groepen naar het museum brengen. ’Het nieuwe museum is een cultuurproducent. Het gebruikt de collecties als grondstof voor het erfgoed van de toekomst.’
Het klinkt behartenswaardig en veelbelovend. Het is alleen jammer – en werkt des te storender hoe verder men leest – dat de auteur/directeur meent zijn overtuiging duidelijk te moeten maken door zich af te zetten tegen instellingen en opvattingen waar hij het niet mee eens is, vooral waar dat op een denigrerende en karikaturale manier gebeurt. Zo worden andere musea bestempeld als opbergplaatsen van oude spullen, zij houden in de regel niet van experimenteren, stellen geen ongemakkelijke vragen, geloven in absolute waarheden, geven geen ruimte om een eigen oordeel te vormen, steunen op een bedaard publiek, de gangbare presentaties van streekdrachten zijn folkloristisch en dus levenloos, om slechts enkele voorbeelden van zijn categorische diskwalificaties te noemen. Monumentenorganisaties worden, schrijft hij, beheerst door antiquarische geesten, zo belust op het verleden dat ze hun werkelijkheidszin verliezen. En, tenslotte, is er het gemakkelijk gebruik van “men” op wie hij zijn pijlen richt op de laatste pagina: ‘Ook vreest men voor een overschot aan verbeelding waardoor de geschiedenis wordt vervalst, zoals dat al zo vaak in kunstmusea gebeurt, zegt men, omdat men liever schoonheid dan waarheid koestert.’
Het boekje mag dan een mooi uitgevoerde ‘mission statement’ zijn, het levert helaas geen constructieve bijdrage aan, en open collegiale houding in de discussie over nieuwe taken voor musea in de toekomst.
Marianne de Bruyn
