Zelfstandig, maar niet alleen

17 juni 2007

Op 4 juni werd in het Museum voor Communicatie in Den Haag de Eerste MuseumService Studiedag georganiseerd. Centraal stond het thema waar al enige tijd behoefte was: de effecten van de verzelfstandiging van musea.

Deze eerste studiedag was met 110 ondernemende museummanagers een succes. Zij kregen een  bedrijvenbeurs aangeboden en konden shoppen bij bedrijfspresentaties.

 

MuseumService.nl was zeer vereerd met dagvoorzitter Rik Vos, voormalig directeur van Instituut Collectie Nederland als dagvoorzitter. Hij vraagt zich sinds de verzelfstandiging van het Openlucht Museum – de allereerste – nog steeds af of de verzelfstandiging van musea eigenlijk wel zinvol is. Mede gezien het aantal grote financiële problemen bij enkele verzelfstandigde musea die alsnog bij de overheid moesten aankloppen voor extra subsidie, heeft hij daarover zijn twijfels.

 

Verzelfstandigde musea verkeren in een lastige positie: aan de ene kant moeten ze met elkaar “concurreren” om financieel het hoofd boven water te houden en aan de andere kant moeten ze samenwerken.

Over deze ‘spagaat’ kwamen verschillende collega’s aan het woord in een korte film, naar een scenario van Marie Christine van der Sman van Virtuoos en geproduceerd door Peter Reijn van Keen. De ervaringen met de verzelfstandiging vanuit het perspectief van een directeur, een hoofd bedrijfsvoering en een hoofd presentatie.  Steven Engelsman, directeur van het Rijksmuseum voor Volkenkunde, waarschuwt musea die gaan verzelfstandigen voor het aangaan van te grote financiële risico’s. Verschillende verzelfstandigde rijksmusea zijn daarmee in de problemen gekomen. Ook hamert hij op een goede bestuursstructuur waarbij de taken van en de scheiding in verantwoordelijkheden tussen Raad van Toezicht als toezichthouder en de Directie als bestuurder helder zijn vastgelegd. Rien Schouten, hoofd bedrijfsvoering van Museum Meermanno-Westreenianum, benadrukt juist de verantwoordelijkheid van de overheid na de verzelfstandiging. Hij hekelt de termijn van vier jaar voor subsidie-afspraken; voor zo’n korte termijn is geen beleid te ontwikkelen en zijn geen afspraken te maken.

Linda Mol, hoofd presentatie van het Nederlands Scheepvaartmuseum, tenslotte wijst op het gebrek aan tentoonstellingsbudget en vervangingsinvesteringen voor tentoonstellingsherinrichting. Volgens haar is dat een vergeten hoofdstuk in de het verzelfstandigingconvenant. 

 

Als eerste gastspreker vatte Dos Elshout, docent cultuurbeleid en sociologisch onderzoek van de Universiteit van Amsterdam, de effecten van vijf en twintig jaar marktwerking in Nederlandse musea samen. Zijn conclusie is: het valt allemaal wel mee. Aanvankelijk werd gedacht dat de essentiële museale taken onder druk zouden komen te staan. Musea zouden bijvoorbeeld meer voorspelbaar worden. Beheer, behoud en onderzoek zouden onder druk komen te staan en er zou misschien minder ruimte zijn voor experiment en avant-garde. Het zakelijk management zou het inhoudelijke management overvleugelen. Dat bleek bij de meeste onderzochte musea niet het geval te zijn. Wel viel het de spreker op dat pijnlijke zaken en conflicten in de pers overbelicht worden.

 

Twee directeuren deelden hun praktijkervaring met de geboeide luisteraars: Pieter-Matthijs Gijsbers van Oriëntalis, voorheen Bijbels Openluchtmuseum, en Stanley Bremer van het Wereldmuseum.

Oriëntalis wordt niet werkelijk verzelfstandigd, maar probeert onder de (financiële en inhoudelijke) vleugels van het bisdom uit probeert te blijven nu het museum gaat koersen op een dialoog tussen joden, christenen en islamieten. In de nieuwe multimediale introductie (van JBF) ervaren bezoekers hun eigen positie binnen het spanningsveld van de verschillende geloven. Een gewaagde aanpak, die z’n succes nog moet bewijzen. Vooralsnog daalt het (traditionele christelijke) bezoekersaantal langzaam. Maar de inhoud van het concept is zo sterk dat de waardering voor het museum wel móét groeien; uit Islamitische hoek is er al belangstelling.

Bremer gooit met het Wereldmuseum op een andere manier de knuppel in het museale hoenderhok. Het Revitaliseringsplan is al enkele jaren geleden ingezet en voorziet in een intensieve samenwerking tussen het museum met reisorganisaties en horeca. Het succes hiervan blijkt uit spectaculair stijgende bezoekersaantallen, een stevige financiële basis, meer vierkante meters tentoonstellingsruimten en meer objecten uit de rijke collectie van het museum in de Schatkamers, in bovendien beter geklimatiseerde ruimten.

In de publieke discussie in de media worden deze successen steevast niet genoemd.

 

Na de lunch-pauze werd de bedrijvenbeurs geopend en waren de presentaties van facilitaire bedrijven, instellingen (Instituut Collectie Nederland, de Reinwardt Academie en de Koninklijke Bibliotheek (dit laatste met ‘Het Geheugen van Nederland’) en fondsen (Mondriaan Stichting met e-cultuur en SenterNovem met digitaliseren met beleid).

 

De plenaire middagsessies hadden als onderwerp wetenschappelijk onderzoek in verzelfstandigde musea en de voorwaarden voor goed bestuur.

Paul van de Laar, hoofd collecties en plaatsvervangend directeur van het Historisch Museum Rotterdam en bijzonder hoogleraar stadsgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, legde uit dat wetenschapsbeoefening ook in een verzelfstandigd, publieksvriendelijk museum essentieel blijft. In Rotterdam bijvoorbeeld is het onderzoek naar sociale geschiedenis in de stad van groot belang voor het invullen van de tentoonstellingen. Maar wie betaalt het?

 

Jetta Klijnsma, wethouder cultuur van de gemeente Den Haag, schetste hoe ingewikkeld het is voor een stadsbestuur om na verzelfstandiging van gemeentelijke musea toezicht te houden op het financieel beheer en z’n collectie. Ze overlegt hiertoe regelmatig met directies en Raden van Toezicht en laat de staat van de collecties tweejaarlijks controleren door een consulent van Erfgoedhuis Zuid-Holland. Ondanks die maatregelen wordt ze met enige regelmaat ‘onaangenaam verrast’, bijvoorbeeld wanneer zij uit de krant verneemt dat het Gemeentemuseum een kostbaar Russische schilderij op de markt heeft laten veilen. Toch maakte ze duidelijk dat in moeilijke situaties de deur voor de verzelfstandigde musea bij haar altijd open blijft staan.

 

Herma Hofmeijer, directeur van de Vereniging Rijksgesubsidieerde Musea (VRM), gaf Klijnsma het instrument dat ze nodig heeft: ‘zelfevaluatie’ door musea. Zij zette uiteen dat zowel binnen de museale sector als bij de Rijksoverheid de behoefte is ontstaan aan een integraal waarbij musea zichzelf met enige regelmaat een spiegel voorhouden en anderzijds de samenleving inzicht bieden in de bijdrage die musea leveren aan diverse maatschappelijk doelstellingen. De VRM heeft een model voor deze zelfevaluatie ontwikkeld met als titel Visitatie, basisdocumenten voor kwaliteitszorg in musea (Amsterdam, maart 2007). In de loop van dit jaar zullen drie ‘pilot-visitaties’ worden afgelegd door een onafhankelijke visitatiecommissie.

 

Als hekkensluiter van de dag pleitte Mike Anderson, beleidsmedewerker van de Stichting Kunst&Zaken voor het gebruik van de nieuwe ‘Code of Cultural Governance’ bij het besturen van musea. In deze code wordt in met een aantal vuistregels een transparant bestuur voorgesteld en goede spelregels, onder andere voor de verdeling van verantwoordelijkheden tussen besturen of Raden van Toezicht en directies. Meer informatie daarover is te vinden op: www.kunstenzaken.nl.

 

Tijdens de afsluitende borrel wisselden de geïnspireerde aanwezigen hún ervaringen met verzelfstandiging uit en maakten nog snel gebruik van de gelegenheid te spreken met vertegenwoordigers van musea, overheden en bedrijven.