Gratis openstelling van musea kan het faillissement betekenen van kleine en middelgrote musea
07 juli 2006
Deze partijen realiseren zich echter niet dat de consequenties van een dergelijke actie desastreus zullen zijn voor alle musea en hun publiek. Het zou het einde kunnen betekenen van de museumkaart en daarmee het faillissement kunnen inluiden van veel kleine en middelgrote musea.
Niet alleen de rijksmusea, die aanzienlijke inkomsten uit entreegeld zien verdwijnen, maar ook de middelgrote en kleine musea zullen de verliezers zijn. Deze instellingen zijn immers wat hun inkomsten betreft voor een groot deel afhankelijk van bezoekers met een museumkaart. Voor elk entreekaartje dat een museum verkoopt aan een “museumkaarthouder’’ ontvangt het museum de helft van de prijs van een regulier kaartje. Als de grote (nationale) musea niet meer meedoen met de museumkaart omdat de entree gratis wordt, betekent dat het einde van de museumkaart. Het zijn immers de best bezochte musea die de museumkaart financieel overeind houden doordat ze jaarlijks de meeste museumkaarten verkopen. Uit die inkomsten wordt (het merendeel) van de afdrachten aan de andere musea gefinancierd. Droogt die bron op, dan betekent dat het einde van menig museum. Neveneffect is dat bij de liquidatie van de museumkaart, die slechts € 30 per jaar kost, de gedachte van de Partij van de Arbeid om kunst en cultuur beschikbaar te stellen aan een breed publiek, in rook opgaat. Het publiek mag dan weliswaar gratis van de vaste presentatie van zes en twintig rijksmusea genieten, voor de overige 1000 musea zal men de volle pond moeten betalen.
